Cameratoezicht op openbare plaatsen stabiliseert
Cameratoezicht op openbare plaatsen stabiliseert het laatste jaar. Dat is een van de belangrijkste conclusies uit het nieuwste onderzoek naar het gebruik van cameratoezicht op openbare plaatsen.
De aanleiding voor het onderzoek is de toezegging aan de Tweede Kamer dat de wetswijziging van de Gemeentewet (art 151c), betreffende cameratoezicht op openbare plaatsen, wordt geëvalueerd en dat de kamer daarover jaarlijks zal worden geïnformeerd. Het voorliggende rapport betreft de driemeting. Van de 441 Nederlandse gemeenten hebben 369 gemeenten (84%) de enquête ingevuld.
Gedurende vijf jaar zijn de ontwikkelingen rond het cameratoezicht gevolgd. Uit de nieuwste meting blijkt dat, net als bij de vorige meting, ongeveer een kwart van de gemeenten cameratoezicht op openbare plaatsen inzet. In grotere gemeenten vindt vaker cameratoezicht plaats dan in kleine gemeenten. Vooral in Noord-Brabant en Zuid-Holland zijn relatief veel gemeenten met cameratoezicht. Veertig procent van de gemeenten met cameratoezicht geeft aan plannen te hebben om het cameratoezicht uit te breiden.
Cameratoezicht op openbare plaatsen wordt vooral toegepast in uitgaanscentra, winkelcentra, op bedrijventerreinen en op en rond stations of haltes voor openbaar vervoer. In een derde van de gemeenten worden beelden uitsluitend achteraf bekeken in geval van bijzondere gebeurtenissen. De onderzoekers noemen dit opvallend, omdat het doel van cameratoezicht volgens de wet het handhaven van de openbare orde is. Bij het niet live uitkijken van de beelden wordt dit doel niet gediend.
Link: Eindrapport Evaluatie cameratoezicht op openbare plaatsen






































































































