Europa wil samenwerking inlichtingendiensten versterken

De Europese Commissie werkt aan de oprichting van een nieuw inlichtingenorgaan om de stroom van geheime informatie tussen lidstaten en Brussel te verbeteren, meldt de Financial Times op basis van ingewijden. Voorzitter Ursula von der Leyen zou het initiatief steunen om bedreigingen zoals hybride aanvallen en buitenlandse inmenging effectiever te kunnen adresseren, zonder dat de Commissie zelf de rol van spionagedienst op zich wil nemen.
Volgens bronnen in de krant is het doel niet het beginnen van een ‘Europese CIA’, maar het creëren van een mechanisme waardoor informatie van nationale diensten en van de Commissie beter kan worden samengebracht en geanalyseerd. In plaats van zelfstandige operaties zou het initiatief draaien om detacheringen: medewerkers van nationale inlichtingendiensten zouden tijdelijk worden uitgezonden naar Brussel om daar te werken aan gezamenlijke analyses en risicobeoordelingen.
De voorstellen zitten nog in een verkennende fase. Een EU-woordvoerder benadrukte dat er over de plannen wordt gesproken en gekeken, maar wilde geen tijdpad naar buiten brengen. Uit gesprekken met betrokkenen blijkt dat von der Leyen zich door de oorlog in Oekraïne en eerdere onbetrouwbare partnerschappen heeft laten overtuigen van de noodzaak tot intensievere informatie-uitwisseling.
Terughoudendheid
Toch stuiten de plannen op terughoudendheid. Nationale veiligheidsdiensten huiveren van extra macht voor Brussel en vrezen dat operationele informatie onbedoeld uit handen kan vallen. Experts wijzen erop dat inlichtingendiensten traditioneel terughoudend zijn met het delen van bronnen en methoden, juist uit vrees voor lekken. Daarnaast zou een nieuw orgaan kunnen overlappen met bestaande structuren, zoals het Intelligence and Situation Centre (Intcen), dat al veiligheidsanalyses maakt op basis van gedeelde informatie tussen lidstaten.
Politieke verdeeldheid binnen de Unie vergroot de complexiteit. Lidstaten met pro-Russische regeringen, zoals Hongarije, zouden minder geneigd zijn vertrouwelijke data te delen, waardoor consensus over beveiligingsprotocollen en ‘need-to-know’-regels cruciaal wordt. Voor het vertrouwen van nationale diensten moet helder worden vastgelegd hoe informatie wordt beschermd en wie toegang krijgt.
De ontwikkelingen vallen samen met een recent EU-plan om honderden miljoenen euro’s te investeren in gezamenlijke defensiecapaciteiten, waaronder voorstellen voor een zogenoemd droneschild en versterking van artillerie en grondtroepen. Of en hoe het beoogde inlichtingenorgaan in dat bredere veiligheidskader wordt verankerd, blijft onderwerp van discussie. Voorlopig lijkt Brussel voorzichtig te opereren: het streven is betere analyses en coördinatie, zonder zelf het instrumentele werk van nationale diensten over te nemen.








































































































