Flinke kritiek op investeringen in opsporing door politie

De Nederlandse politie besteedt jaarlijks miljarden euro’s aan opsporing, maar het is onvoldoende duidelijk wat die investeringen daadwerkelijk opleveren. Dat concludeert de Algemene Rekenkamer in het rapport Een ernstige zaak – Prioritering in opsporing door politie, dat op 18 juni is gepubliceerd. Volgens de onderzoekers ontbreekt het zowel aan inzicht in de resultaten van opsporingsonderzoeken als aan een duidelijke financiële verantwoording van de middelen die naar opsporing gaan.
Uit het onderzoek blijkt dat de politie in 2024 beschikte over een totale begroting van circa 8,1 miljard euro. De Algemene Rekenkamer heeft berekend dat naar schatting 3,3 miljard euro daarvan, ongeveer 41 procent van het totale budget, wordt besteed aan opsporing. Opvallend is dat de politie zelf niet exact kan aangeven welk deel van het budget aan deze wettelijke taak wordt uitgegeven. De financiële administratie maakt een dergelijke uitsplitsing niet mogelijk. Volgens de Rekenkamer bemoeilijkt dit het beoordelen van de doelmatigheid en doeltreffendheid van het opsporingsbeleid en beperkt het de controlerende rol van de Tweede Kamer.
Ruim 10.000 ernstige aangiften niet behandeld
De onderzoekers signaleren daarnaast dat de politie te maken heeft met een groot aantal, soms concurrerende, prioriteiten. Deze worden vastgesteld door onder meer het ministerie van Justitie en Veiligheid, het Openbaar Ministerie en regionale gezagen. Hierdoor ontstaat volgens de Rekenkamer een situatie waarin ernstige misdrijven niet altijd de aandacht krijgen die zij op basis van hun maatschappelijke impact verdienen.
Een van de meest opvallende bevindingen is dat in 2024 ruim 10.000 aangiften van ernstige misdrijven niet verder zijn behandeld. Het ging daarbij om zaken die hoog scoren op de zogenoemde Crime Harm Index, een methode die de ernst van misdrijven beoordeelt op basis van de maatschappelijke schade. Onder deze aangiften bevonden zich onder meer geweldsdelicten, identiteitsfraude, zware diefstallen en drugsgerelateerde criminaliteit. Ongeveer 7.000 zaken werden direct afgewezen, terwijl circa 3.000 onderzoeken voortijdig werden beëindigd vanwege capaciteitsproblemen bij politie of Openbaar Ministerie.
Resultaten vaak onbekend
Ook blijkt dat van een groot deel van de opsporingsonderzoeken die de politie zelf start nauwelijks bekend is wat de uiteindelijke resultaten zijn. In 2024 ging het om bijna 12.000 onderzoeken waaraan ruim 12.300 fte werd besteed. Voor deze zaken wordt niet structureel geregistreerd of zij hebben geleid tot aanhoudingen, vervolgingen of andere interventies. Daarmee ontbreekt inzicht in de effectiviteit van een aanzienlijk deel van de opsporingscapaciteit.
De Algemene Rekenkamer waarschuwt dat de huidige situatie het lastig maakt om strategische keuzes te maken over de inzet van mensen en middelen. Zeker in een tijd waarin zowel traditionele criminaliteit als digitale dreigingen toenemen, is volgens de onderzoekers beter inzicht nodig in welke opsporingsactiviteiten daadwerkelijk bijdragen aan veiligheid en maatschappelijke weerbaarheid. In 2025 werden bijna drie miljoen Nederlanders slachtoffer van traditionele criminaliteit, terwijl 17 procent van de bevolking te maken kreeg met vormen van cybercriminaliteit.
De Rekenkamer pleit daarom voor een betere registratie van resultaten, meer inzicht in de besteding van middelen en een scherpere afweging van opsporingsprioriteiten. Alleen dan kan volgens de onderzoekers worden vastgesteld of de miljardeninvesteringen in opsporing daadwerkelijk het gewenste effect hebben op de veiligheid in Nederland.







































































































