Korpschef mocht vergunning voor beveiligingswerk weigeren

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bepaald dat korpschef van politie Henk van Essen van de regionale eenheid Rotterdam terecht een aanvraag heeft afgewezen om een Rotterdamse man beveiligingswerkzaamheden te laten verrichten. Daarmee strandt het hoger beroep dat de man, samen met een beveiligingsbedrijf uit Capelle aan den IJssel, had ingesteld.
De kwestie draait om een aanvraag uit februari 2022. Het beveiligingsbedrijf vroeg destijds toestemming om de man in te zetten als beveiliger, zoals voorgeschreven in de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr). De korpschef weigerde echter, omdat de kandidaat volgens hem niet voldeed aan de betrouwbaarheidseisen.
Die beslissing baseerde de politie op een strafbeschikking van het Openbaar Ministerie. De man had begin 2022 een geldboete van 500 euro opgelegd gekregen wegens het rijden tijdens een rijverbod. Dat verbod was hem opgelegd nadat bij een controle cocaïnegebruik was vastgesteld. Hoewel het OM een parallel onderzoek naar rijden onder invloed later seponeerde, bleef de overtreding van het rijverbod overeind.
Strenge eisen
De rechtbank Rotterdam oordeelde in september 2023 al dat de korpschef in redelijkheid had kunnen besluiten de toestemming te weigeren. Volgens de rechtbank mogen de politie en de minister strenge eisen stellen aan beveiligers: hun betrouwbaarheid moet ‘boven iedere twijfel verheven’ zijn. Het beroep van de man werd destijds ongegrond verklaard.
In hoger beroep stelde de Rotterdammer dat dit criterium te streng is en in strijd is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, waarin burgers het voordeel van de twijfel zouden moeten krijgen. Ook wees hij op de uitkomst van een bloedtest waaruit bleek dat hij ten tijde van de staandehouding niet onder invloed van drugs verkeerde. Daarnaast voerde hij aan dat de kans op herhaling nihil was en dat hij inmiddels met drugsgebruik gestopt is.
Twijfel
De Raad van State wees die argumenten van de hand. Volgens de hoogste bestuursrechter heeft de korpschef beleidsvrijheid om te bepalen hoe de betrouwbaarheid wordt getoetst. Daarbij mag hij vasthouden aan de regel dat iedere vorm van twijfel aanleiding kan zijn om een kandidaat af te wijzen. Ook mocht de korpschef de standaard een ’terugkijktermijn’ van vier jaar hanteren: feiten binnen die periode wegen zwaar mee bij de beoordeling.
De Raad van State bekrachtigde daarmee de uitspraak van de rechtbank. Het gevolg is dat de Rotterdammer voorlopig niet als beveiliger aan de slag mag.







































































































