Minder burgers voelen zich onveilig
Het wordt veiliger in Nederland. Sinds 2002 is het aantal vermogensdelicten fors afgenomen en vinden er minder geweldsdelicten plaats. Ook voelen minder burgers zich onveilig. Dat blijkt uit de Eerste Voortgangsrapportage van het project Veiligheid begint bij Voorkomen, die de ministers Hirsch Ballin en Ter Horst onlangs naar de Tweede Kamer hebben gestuurd.
Vooral de afname van het aantal vermogensdelicten zet stevig door: met 8 procent ten opzichte van 2006, de laatste meting vóór het project Veiligheid begint bij Voorkomen (VbbV) in 2007 van start ging. Sinds 2002 is het aantal gevallen van (o.a.) diefstal, (woning)inbraak, autokraak en zakkenrollerij met liefst 28 procent gedaald. Dat is nu al méér dan de (ambitieuze) doelstelling van 25 procent die in 2002, bij de start van het eerste Veiligheidsprogramma, voor 2010 werd geformuleerd. Ook de geweldscriminaliteit blijft afnemen: met 6 procent ten opzichte van 2006. Sinds 2002 is de geweldscriminaliteit nu met 12 procent gedaald.
Tegenover deze positieve ontwikkelingen staat (vooralsnog) een stagnatie bij het terugdringen van overlast en verloedering. Werd in de periode 2002-2006 nog een afname gemeten van de overlast en verloedering met respectievelijk 9 en 8 procent; sinds 2006 zijn de overlast en verloedering zoals de burgers die ervaren niet verder verminderd. Inmiddels is de aanpak geïntensiveerd. De maatregelen uit het Actieplan Overlast en Verloedering dat dit voorjaar naar de Tweede Kamer is gestuurd, moeten ervoor zorgen dat de VbbV-doelstellingen voor 2010 (afname van de ervaren overlast en verloedering met 25 procent) alsnog gehaald worden.
De Nederlandse burger is zich ook veiliger gaan voelen. In 2002 gaf nog ruim drie op de tien (30,8 procent) burgers aan zich wel eens onveilig te voelen. De afgelopen jaren is dit percentage gestaag afgenomen, tot één op de vijf (20 procent) bij de meting van 2008.








































































































