Inspectie kritisch over aanpak terrorisme binnen politie

Het informatieknooppunt Contraterrorisme, Extremisme en Radicalisering (CTER) bij de Landelijke Eenheid van de politie voert zijn proactieve rol, zoals inzicht verkrijgen in terroristische netwerken, niet volledig uit. Tot die harde conclusie komt de Inspectie Justitie en Veiligheid.

Het informatieknooppunt Contraterrorisme, Extremisme en Radicalisering (CTER) bij de Landelijke Eenheid (LE) van de politie kan een concrete, gekende dreiging weliswaar effectief tegengaan, maar schiet tekort waar het gaat om het verkrijgen van inzicht in terroristische netwerken. Dat komt onder andere omdat binnen het cluster de samenwerking niet goed is en een gezamenlijke opvatting over taken en de uitvoering daarvan ontbreekt. Intern leidt dit tot zodanige spanningen en conflicten dat de werkomgeving voor sommige mensen onveilig voelt. De signalen van de mogelijke misstanden waren voor minister Grapperhaus aanleiding om de Inspectie J&V begin 2021 te verzoeken een oriënterend onderzoek uit te voeren naar de kwaliteit van de taakuitvoering van het CTER.
Het CTER is opgericht naar aanleiding van de terroristische aanslagen in Frankrijk en België. LE-diensten moesten onder grote politieke druk gaan samenwerken als deel van het nationale antwoord op internationaal terrorisme. Zo werden de Dienst Landelijke Informatieorganisatie (DLIO), de Dienst Specialistische Operaties (DSO) en de Dienst Landelijke Recherche (DLR) vanaf 2017 samengebracht in het CTER-cluster om de wederzijdse expertise bij elkaar te brengen. Door intensiever samen te werken zouden mogelijke aanslagen kunnen worden voorkomen, was de gedachte. Maar binnen de gehele LE is samenwerken niet vanzelfsprekend, blijkt uit inspectieonderzoek. De cultuur van eilandjes-denken en eigenbelang werkt door binnen het CTER-cluster.

Samenwerking en taakopvatting
Uit het onderzoek blijkt dat de diensten in CTER geen gemeenschappelijke opvatting hebben over wat het cluster zou moeten doen. Daardoor worden rollen, taken en verantwoordelijkheden gebrekkig ingevuld. Omdat niet is bepaald welke doelen en taken voorrang moeten krijgen, wordt niet eenduidig gestuurd. Hierdoor is een situatie ontstaan waarin weliswaar invulling wordt gegeven aan het opsporen van personen van wie bekend is dat zij bezig zijn met het voorbereiden van terroristische activiteiten, maar waarin slechts in mindere mate aandacht wordt besteed aan het proactief in kaart brengen van individuen en groeperingen voordat zij in die fase komen.
De tegenstelling in opvattingen over hoe het werk van het CTER-cluster moet worden uitgevoerd, leidt ook tot spanningen op de werkvloer. In sommige teams ervaren mensen een onveilige werkomgeving. Zo hebben medewerkers die van DLIO en DSO komen het gevoel niet gelijkwaardig te zijn aan de DLR-collega’s. DLR-medewerkers vinden dat de andere diensten ondersteunend moeten zijn aan hen.

Cultuuromslag vereist
Het management van DLIO, DLR en DSO besteedt momenteel meer aandacht aan denken vanuit een collectief belang en wat dit voor de CTER-samenwerking betekent. Het wil een gelijkwaardigere verhouding tussen de drie diensten. Dat vereist een cultuuromslag die tijd kost, aldus de Inspectie JenV. Zij doet een aantal aanbevelingen aan de korpschef van politie om meer balans te brengen in de taken van het CTER-cluster en om grip te krijgen op werksituatie daarbinnen. Zo beveelt zij aan meer aandacht te besteden aan de proactieve invulling van de CTER-taken.
De politie is het maar deels eens met de kritiek. Volgens politiechef en portefeuillehouder CTER Jannine van den Berg heeft het cluster goede resultaten geboekt bij het aanhouden van verdachten en het vormgeven van strafdossiers. “Een bevestiging dat de medewerkers van het cluster hun vak verstaan en daar kunnen wij met elkaar trots op zijn. Er is dus geen twijfel over het nut van het cluster.” Volgens haar komen de interne spanningen doordat nooit duidelijk is gemaakt wat van het CTER verwacht wordt als het gaat om het voorkomen van aanslagen. Dat maakt het ook lastig om invulling te geven aan de proactieve rol. Binnen het cluster moet daarom gewerkt worden aan een gemeenschappelijke opvatting over rollen, verantwoordelijkheden en hoe de taken het beste uitgevoerd kunnen worden.

Stappen naar verbetering
Van den Berg: “In het rapport komt naar voren dat er een grote druk werd ervaren binnen het cluster en dat er niet voldoende aandacht is geweest voor het welbevinden van onze collega’s. Alleen binnen een omgeving waar iedereen zijn rol en taak kent en dit in goede harmonie kan uitvoeren, kan het cluster optimaal presteren. Respect voor onderlinge verschillen in expertise en kennis van elkaars werk is daarvoor een belangrijke basis en essentieel binnen dit cluster, waar juist onze verschillen het verschil maken. Daar moeten wij op investeren. Een prettige werkomgeving en een duidelijke taakopdracht moet voor iedereen vanzelfsprekend zijn.”
De stappen naar verbetering worden volgens Van den Berg onder meer in het verbeterprogramma van de Landelijke Eenheid opgepakt. Er is onder meer aandacht voor problematiek rond de taakverantwoordelijkheid en de span of control van leidinggevenden. Los hiervan is het cluster zelf aan de slag gegaan met initiatieven zoals het explicieter maken van rollen en werkwijzen en het vergaren van meer kennis over fenomenen en samenwerkingsverbanden. De komende periode wordt samen met de medewerkers verkend hoe de bevindingen van de Inspectie nog verder vertaald kunnen worden naar concrete verbeteringen. Daarbij zal er veel aandacht zijn voor de discussiepunten over hóe de taken moeten worden uitgevoerd.

Prioriteit nummer één
Van den Berg: “Wij gaan met veel vertrouwen aan de slag met de aanbevelingen van de Inspectie. Doordat wij de conclusies herkennen en het rapport duidelijk laat zien waar de verbeterpunten zitten, weten we wat ons te doen staat. Tegelijkertijd mogen we heel trots zijn op wat er dagelijks binnen het cluster gepresteerd wordt. De veiligheid van Nederland is prioriteit nummer één en daaraan levert het cluster een essentiële bijdrage. Dit doen we onder het gezag van het Landelijk Parket en in nauwe samenwerking met regionale eenheden, veiligheidsdiensten en het ministerie.”

Het onderzoek naar CTER is een van de drie deelonderzoeken die de Inspectie JenV uitvoert naar de LE. De Inspectie J&V begon haar onderzoeken nadat zij signalen binnenkreeg over ongewenst gedrag, een verkeerde stijl van leiderschap en onprofessioneel handelen bij enkele onderdelen van de LE: DLIO, DSO en CTER. Het DLIO-onderzoek is begin dit jaar gepubliceerd, het DSO-onderzoek loopt nog. Na publicatie daarvan volgt een beschouwing over de gehele Landelijke Eenheid.

Gedeeld

Geef een antwoord