Bouwkundige beveiliging, het ‘kind van de regeling’

De afgelopen jaren hebben regelingen voor inbraakbeveiliging zich steeds verder ontwikkeld. Maar is het er ook beter op geworden? De in bouwkundige beveiliging gespecialiseerde Erik Peters en Mat Verstappen vinden van niet. In dit artikel schrijven zij wat er mankeert, hoe dat komt en hoe de situatie te verbeteren is.

Wat is er terechtgekomen van de oorspronkelijke beveiligingsfilosofie om inbraken tegen te gaan? Wat leren beveiligingsspecialisten hierover en hoe passen zij de onderwezen aanpak in de praktijk toe? Wat is de houdbaarheid van deze aanpak, nu en in de toekomst?

OBE-maatregelen
De oorspronkelijke en nog altijd gehanteerde beveiligingsfilosofie is opgebouwd uit organisatorische, bouwkundige en elektronische maatregelen. Deze zijn op hun beurt weer onderverdeeld in onder andere detectie, toegangsbeheer, cameratoezicht en opvolgingsprocedures. Maar ook een onderwerp als verlichting is belangrijk, alsmede maatregelen tegen incidenten die de samenleving de laatste jaren in toenemende mate bezig houden, zoals overvallen, vandalisme en cybercrime.

Het juiste uitgangspunt
Al deze thema’s worden in de opleidingen opgenomen in voor de hand liggende klant-cases. In alle gevallen gaat het om het in een zo vroeg mogelijk stadium signaleren en vertragen van een incident. Het juiste uitgangspunt zou daarbij moeten zijn dat organisatorische, bouwkundige en elektronische maatregelen even belangrijk zijn, zodat door tijdige interventie de schade beperkt kan worden. De afzonderlijke onderdelen dienen samen te komen in een beveiligingsplan (PvA/PvE) dat inzicht geeft in het project en dat de benodigde maatregelen in kaart brengt.

Vastgestelde regels
Diverse partijen, zoals verzekeraars, beveiligingsbedrijven en hun belangenorganisaties vonden destijds dat de beveiligingsfilosofie verwoord moest worden in een officiële regeling. Een waarmee de beveiliging van woningen tot en met vitale gebouwen gereguleerd kon worden. Dit allemaal conform vastgestelde regels en toetsingsmodellen. Iedere genoemde vorm van beveiliging en elke maatregel kreeg een plekje in de rapportage en op basis daarvan konden dan de beveiligingsplannen worden gemaakt.

BORG-regeling
Destijds ging men daarmee voortvarend aan de slag en zo zag in 1995 de BORG-regeling het daglicht. Mooi, al die specialiteiten bij elkaar. Maar gaandeweg is deze regeling helemaal uit elkaar gevallen. Dat kwam omdat de belanghebbende bedrijven niet alle vereiste disciplines in huis hadden. De een deed bouwkunde en de ander was thuis in elektronica. Samenwerking tussen bedrijven met verschillende specialismen bleek vaak lastig. Soms al door iets simpels. ‘Wijzen we de klant op de noodzaak van een goed slot, of plaatsen we een sensor en laten we het oude slot zitten?’
Budget
Veel gestelde vragen zijn ook: ‘wie kun je vertrouwen?’, ‘zijn we partners of concurrenten’ en ‘welke verantwoordelijk heb ik dan als hoofdaannemer?’. Vooral bij een beperkt budget ontstaat wrevel. Als de elektronische ‘partner’ hoofdaannemer is, zal hij waarschijnlijk geen omzet willen inleveren ten gunste van noodzakelijke bouwkundige voorzieningen. En andersom is dat natuurlijk ook zo. Ook de verzekeraars weten het niet meer en zijn sneller bereid om af te schalen van een klasse 4 naar een klasse 2 om geen klanten te verliezen door de dwingende regels.

Draagvlak
Maar dat was niet het enige probleem. Voor de regelingen werd een zo groot mogelijk draagvlak nodig geacht. Daarom werden zoveel mogelijk partijen uitgenodigd om zich in de bijbehorende colleges en commissies van deskundigen en/of belanghebbenden te laten vertegenwoordigen. Dat zou alleen maar positief zijn, als de individuele belangen niet sterk uiteen zouden lopen. Daar kwam bij dat de uitvoerende beveiligingsbedrijven zelf nauwelijks participeerden. Die lieten zich vertegenwoordigen door hun branche- en belangenorganisaties.

Bergen regels en papier
Slechts her en der was een bouwkundige ondernemer te zien met een visie. Iemand die echt dacht iets te kunnen veranderen. Nu, jaren en weer diverse nieuwe versies van de BORG-regeling verder, is de bedrijfstak weer op een kruispunt beland. Eigenlijk werkt de systematiek niet (meer). De regelgeving is voor betrokkenen te ingewikkeld geworden en de klant weet niet wat goede beveiliging is. Veel bedrijven in de uitvoering, alsmede de gebruikers van de regelingen zijn ontevreden en vinden dat deze niet meer aansluiten op de werkelijkheid van alle dag. De verzekeraars zien door de mist van de vele regeltjes de eindstreep steeds meer vervagen. (‘doe maar iets, dat is beter dan niets’. Ze willen wel dat er beveiligd wordt, maar zonder bergen regels en papier.

Overal een vinger in de pap
De uitvoerende beveiligingsbedrijven, die uiteindelijk bepalen hoe er beveiligd wordt, bemoeiden zich inhoudelijk dus weinig met de regelingen. Wat zij belangrijk vinden is dat zij iets hebben waarmee zij kwaliteit kunnen uitstralen. Zo van: ‘wij zijn erkend, dus bij ons zit u goed’. De regels waaraan zij zich voor die erkenning moeten houden, worden dus door anderen bepaald. En binnen de commissies en werkgroepen zijn dat opvallend vaak mensen met een commercieel belang. Mensen die vaak ook al in tal van aanverwante commissies zitting hebben en zo ‘overal een vinger in de pap’ hebben om de commerciële belangen van hun bedrijf veilig te stellen. Zij trekken ‘aan de touwtjes’ binnen de commissies en dat is vanuit hun standpunt natuurlijk heel begrijpelijk.

De slager controleert de bakker
De uitvoerende beveiligingsbedrijven hebben in de colleges, commissies en werkgroepen een naar verhouding (te) kleine stem. Zij vormen de minderheid en doen dit ‘in eigen tijd’, zonder enige vorm van compensatie. Zij nemen deel vanuit het idee dat ze er toe willen doen en daadwerkelijk iets zouden kunnen veranderen. Maar zoals altijd in discussies over beleidsstukken, beslist de meerderheid. De conclusie is duidelijk. Daar komt nog bij dat de regelingen soms ook nog eens beoordeeld worden door deskundigen vanuit een geheel andere discipline. Denk aan een elektronicus die meepraat over de bouwkundige regeling. Zo krijg je een slager die de bakker controleert en vervolgens voorschrijft wélk meel deze mag gebruiken en wáár de bakker dat moet inkopen.

Andermans belangen
Het wordt bij regelingen kennelijk algemeen geaccepteerd dat de koers bepaald wordt door de ‘sponsor’ met het grootste budget en de grootste ‘toeter’. De kleine ondernemer, de beveiligingsspecialist op microniveau, die de juiste filosofie wil uitdragen, wordt intussen niet gehoord en loopt wel aan tegen ‘andermans belangen’. Deze bedrijven willen niettemin erkend en gecertificeerd blijven, omdat dit vertrouwen uitstraalt naar de klant. Het gaat om het logo op de website en de bestelbus, maar intussen doet ieder gewoon ‘zijn eigen ding’.
Wat ook geen voordeel is bij de regelingen is dat alles met het oog op kostenbeperking zoveel mogelijk gedigitaliseerd wordt. Alles wordt omgezet in digitale formulieren en ‘apps of sites’. Nog even en de klant  mag alles helemaal zélf regelen, zónder de tussenkomst van de vakman en zonder tussenkomst van de inspectie/certificatie-instelling ( ‘….die zijn immers allemaal kostenverhogend…’ ).

Extra drempels
Maar waarom werkt het dan niet meer zoals het bedoeld is? Welnu, dat heeft te maken met diegenen die ‘aan de knoppen draaien’. Uitgangspunt was de beveiligingsfilosofie, maar die is vervangen door ‘productgestuurde’ oplossingen, die in regelgeving door de (commerciële) belanghebbenden worden bepaald. Deze belanghebbenden en hun vertegenwoordigers worden veelal niet gehinderd door inhoudelijke beveiligingskennis, maar bepalen wél wat er moet gebeuren. Zij zullen er alles aan doen om hun productgroepen naar voren te schuiven en werpen daarmee extra drempels op. Niet om de kwaliteit te verbeteren, maar om de ‘concurrentie’ op afstand te houden. In de regelgeving  wordt dan opgenomen dat uitsluitend beveiligingsproducten met een bepaald ‘keur’ mogen worden toegepast. Wat je dan krijgt is dat als een producent van een goed product in Nederland niet genoeg marktaandeel voorziet, hij het product niet laat keuren. Wellicht zijn deze producten zelfs béter dan hun gekeurde equivalenten, of zijn ze met enkele aanpassingen gelijkwaardig. Maar omdat ze niet mogen worden toegepast, kiest de installateur niet voor de beste oplossing maar voor wat er op een vastgestelde lijst staat.

Oplossingsgericht
Wat zou er dan anders moeten? Regelgeving zou niet productgericht moeten worden opgezet maar vooral praktisch én oplossingsgericht. Eigenlijk zoals het bij de meeste van de (bouwkundige-) beveiligingsbedrijven in de dagelijks praktijk al gebeurt. Kijken wat wél mogelijk is, dit toetsen aan de regels, dit beschrijven en dan sámen met klant én verzekeraar kijken wat de mogelijkheden zijn, maar vooral ook naar wat haalbaar en betaalbaar is. En dit daarna uitonderhandelen met alle partijen aan tafel. Uiteraard binnen kaders en toetsbaar, zowel voor wat betreft de materialen als de montage.

Database met oplossingen
Daarnaast moet het mogelijk worden om ook producten die elders in de wereld zijn goedgekeurd toe te passen. De buitenlandse producten hoeven dan alleen op conformiteit getoetst te worden. Ook mogen producten en/of oplossingen worden gebruikt die hun kwaliteit in de praktijk(!) hebben bewezen, ook als er géén gekeurde producten voorhanden zijn. Zo ontstaat een ‘database met oplossingen’ die overal kan worden ingezet. Daarmee krijgen ook deugdelijke, niet gecertificeerde producten een kans, zonder dat de fabrikant eerst duizenden euro’s moet besteden aan het keuren van producten én de jaarlijks terugkerende certificatiekosten.

Beveiligen is maatwerk
Beveiligen is maatwerk. Maar wel binnen een kader én de mogelijkheid om het te toetsen. Ook zou het zo moeten zijn, dat álle bouwkundige beveiligingsbedrijven vertegenwoordigd zijn én de inhoud van hun eigen regeling én belangen mede zouden kunnen bepalen. Er is dus een sterke bouwkundige beveiligingstak nodig met mensen die opkomen voor hun belangen en uitdragen dat het gaat om kwaliteit, weerbaarheid, tijdsvertraging en echt vakmanschap.
De huidige BORG-regeling (bouwkundige) is vrijwel helemaal gestript van de principes en uitgangspunten van weleer. Die zijn er uit ‘gesloopt’, zodat bouwkundige beveiliging niet of nauwelijks nog van belang is. Immers, bouwkundige beveiliging is lastig, moeilijk en werkt kostenverhogend. ‘De deur zit toch dicht en het ‘pirretje’ signaleert toch’. ‘Zolang we maar geen nodeloze alarmen krijgen is alles onder controle’. Er wordt alles aan gedaan de bouwkundige regeling uit te kleden en het belang van deze ooit zo belangrijke maatregel te minimaliseren. Wát er dan gedaan kán worden, mag alléén met gecertificeerde producten en daardoor is certificering bijna onmogelijk geworden. Er is nog wat ruimte gemaakt voor ‘maatwerk’ maar ook dan weer puur vanuit (gecertificeerde-) producten gezien. Zo wordt de installateur dus beperkt bij het zoeken naar de geschikte oplossing. Er wordt niet gekozen voor de beste, niet voor de sterkste en niet voor de oplossing die het meest vertraagt. Maar wel voor een ‘verzameling’ van gecertificeerde producten, her en der ergens op of ingeschroefd. En dat was het dan!

Gedeeld

Geef een reactie