OM in beroep tegen vrijspraak in coldcasezaak

Het Openbaar Ministerie in Amsterdam gaat in hoger beroep tegen de vrijspraak van de twee verdachten in de zaak Patrick van Dillenburg. Volgens de rechtbank mag de bekentenis die door één van de verdachten tegen undercoveragenten is gedaan niet worden gebruikt voor het bewijs.

De vermissing van Patrick van Dillenburg die in 2002 spoorloos verdween, is in 2016 opgepakt als een coldcase. Verschillende opsporingsmiddelen zijn daarbij ingezet. Naast het aansluiten van telefoontaps en opname vertrouwelijke communicatie is er een undercovertraject ingezet, het zogenaamd Werken Onder Dekmantel-traject (WOD-traject), waarbij agenten een vertrouwensrelatie hebben opgebouwd met één van de verdachten. Volgens het OM is deze vorm van misleiding in deze zaak gelegitimeerd en past de methode binnen de wettelijke normen en recente jurisprudentie. Ook de rechtbank oordeelt dat er op zich voldoende grond was om deze methode in te zetten.

Amicaal en ongedwongen
In een gesprek met een undercoveragent heeft de 50-jarige verdachte verteld zo’n 20 tot 25 jaar geleden ene ‘Patrick’ om het leven te hebben gebracht door hem door het hoofd te schieten. Hij zou dit samen hebben gedaan met de 60-jarige medeverdachte. De aanleiding zou een ripdeal zijn. De 50-jarige verdachte is zelf met dit verhaal gekomen en heeft daar in latere ontmoetingen over uitgeweid. Dit alles gebeurde in een amicale en ongedwongen sfeer. Bovendien is het merendeel van deze bekentenis op geluidsopnamen (opname vertrouwelijke communicatie) terug te horen.
Anders dan de rechtbank is het OM van oordeel dat de undercoveragenten geen ongeoorloofde druk op de verdachten hebben uitgevoerd. De verklaringen zijn in vrijheid afgelegd, vindt het OM. Er is door de undercoveragenten geen voorwaarde gesteld om te gaan verklaren, geen gesprek met ‘de grote baas’ in het vooruitzicht gesteld en evenmin ‘bergen met geld’ beloofd.

De wet en eisen Hoge Raad
In haar vonnis stelt de rechtbank onder meer dat vanwege een beperkte verslaglegging onvoldoende kan worden beoordeeld of de verdachte beperkt is in zijn verklaringsvrijheid. Het OM vindt dat de rechtbank de in haar vonnis beschreven criteria van de Hoge Raad (HR) te strikt interpreteert. Daarnaast is het OM van oordeel dat de conclusie om het gehele WOD-traject uit te sluiten van het bewijs een onevenredig zware sanctie is, juist in het licht van het arrest van de HR.
Het OM meent dat voldaan is aan de eisen die in de wet en in de uitspraken van de Hoge Raad worden gesteld. Het OM heeft dan ook tegen beide uitspraken van de rechtbank Amsterdam van dinsdag 2 maart hoger beroep ingesteld.

Gedeeld

Geef een reactie