Servicemonteur vangt 19.000 euro na drie dagen werk

Een servicemonteur van een brandpreventiebedrijf die al na drie werkdagen werd ontslagen omdat hij vanwege zijn geloof wilde bidden tijdens werktijd en niet bij varkens mocht werken, heeft recht op een ontslagvergoeding van bijna 19.000 euro. Dat bepaalde de rechtbank Noord-Holland in een uitspraak.
De 34-jarige monteur trad in april in dienst bij de Brand Preventie Groep (BPG) in Zaandam. Kort na zijn start liet hij weten dat hij één tot twee keer per dag wilde bidden en daarvoor klanten om een geschikte ruimte wilde vragen. Ook weigerde hij werkzaamheden bij bedrijven waar varkens aanwezig waren, omdat zijn geloof dat niet toestaat. Voor BPG was dat reden om het dienstverband tijdens de proeftijd direct te beëindigen.
Volgens het bedrijf zouden klanten niet belast mogen worden met verzoeken om bidruimtes en was het onmogelijk om werkzaamheden bij veehouders door collega’s te laten overnemen. BPG bood de monteur aan om in de bedrijfsbus te bidden, maar dat vond hij geen passende oplossing.
Rechter
De servicemonteur legde zich niet neer bij het ontslag en stapte naar de rechter. Die stelde hem in het gelijk. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag direct verband houdt met de wijze waarop de werknemer zijn geloof belijdt en dat daarmee sprake is van een verboden onderscheid op grond van godsdienst. De werkgever had volgens de rechter onvoldoende aangetoond dat het ontslag om andere redenen was gegeven.
De man krijgt daarom recht op meerdere vergoedingen. Hij ontvangt ruim 3.800 euro aan loon over de opzegtermijn, een transitievergoeding van 81 euro en een billijke vergoeding van 15.000 euro. Samen komt dat neer op bijna 19.000 euro voor slechts drie gewerkte dagen. Daarnaast moet BPG correcte loonstroken overleggen en draait het bedrijf op voor de proceskosten.
De rechter benadrukt dat een werkgever ook tijdens de proeftijd geen onderscheid mag maken op basis van geloofsovertuiging. Dat het bedrijf neutraliteit nastreeft of rekening wil houden met klanten, vormt volgens de rechtbank geen rechtvaardiging voor het ontslag.








































































































