Verbod religieuze uitingen bij boa’s kan niet zonder wetswijziging

De Raad van State adviseert het kabinet om af te zien van het landelijke verbod op religieuze uitingen voor buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s). Volgens de hoogste kabinetsadviseur ontbreekt de wettelijke basis voor het besluit dat demissionair minister Foort van Oosten (Justitie, VVD) wil invoeren. Een dergelijke maatregel kan alleen worden opgelegd als eerst de wet wordt aangepast, zodat zowel de Tweede als de Eerste Kamer hierover kunnen beslissen.
Het kabinet besloot vorig jaar dat boa’s vanaf eind 2025 een neutrale uitstraling moesten hebben, zonder zichtbare religieuze symbolen zoals hoofddoek, keppeltje of kruis. De maatregel moest het vertrouwen in de onpartijdigheid van handhavers vergroten. Het verbod stond ook in het hoofdlijnenakkoord van het huidige kabinet-Schoof en werd eerder al actief ondersteund door voormalig minister Dilan Yesilgöz.
In de praktijk bepalen gemeenten nu zelf of religieuze uitingen zijn toegestaan. Den Haag staat het dragen van hoofddoek of keppeltje sinds begin dit jaar juist toe, net als Utrecht, Tilburg en Arnhem. De landelijke sturing via een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) moest daar een einde aan maken, maar dat blijkt juridisch onmogelijk. De Raad van State stelt dat een AMvB geen grondslag biedt voor het beperken van een grondrecht als de vrijheid van godsdienst, zoals vastgelegd in artikel 6 van de Grondwet.
Beperkingen wel mogelijk
Volgens de Raad is het wettelijk wél mogelijk om beperkingen te stellen, maar alleen als dat gebeurt via een wet in formele zin. Daarbij moet de wetgever aantonen dat de maatregel noodzakelijk en proportioneel is en dat alternatieven zijn onderzocht. Ook moet duidelijk worden onderbouwd dat het dragen van religieuze symbolen daadwerkelijk afbreuk doet aan de neutraliteit van boa’s. Die onderbouwing ontbreekt nu volledig.
Opvallend is dat de meningen in het veld sterk uiteenlopen. Vakbonden van boa’s pleiten al langer voor uniforme, neutrale kledingregels, terwijl het College voor de Rechten van de Mens waarschuwt dat een verbod juist kan leiden tot uitsluiting en stigmatisering. Het zou volgens het College geen aantoonbare bijdrage leveren aan de onpartijdigheid van handhavers.
De Afdeling advisering van de Raad van State concludeert dat de regering het verbod niet kan doorvoeren zonder wettelijke grondslag. Het advies betekent niet dat het verbod definitief van tafel is, maar wel dat het kabinet een parlementair traject moet starten als het het voorstel wil voortzetten. Daarmee lijkt de invoering van een landelijk verbod in elk geval opnieuw vertraagd.






































































































