Politie gaat kwaliteit interne onderzoeken verbeteren

De Nationale Politie gaat maatregelen treffen om de kwaliteit van interne onderzoeken te verbeteren. Aanleiding zijn twee onderzoeken waaruit onder meer blijkt dat integriteitsonderzoeken vaak te lang duren, dat de kwaliteit per eenheid sterk verschilt en dat ook de aansturing vanuit de leiding soms onvoldoende is.

Ruim zeven jaar geleden zijn de afdelingen Veiligheid, Integriteit en Klachten (VIK) ontstaan, als opvolger van de bureaus interne onderzoeken. Elke eenheid (en het PDC) heeft een eigen VIK-afdeling. Daar werken in totaal circa vierhonderd medewerkers, van wie zo’n 130 zich bezighouden met interne/disciplinaire onderzoeken. Op jaarbasis gaat het om 500 tot 550 onderzoeken.
De korpsleiding vond het dan ook tijd om het proces rond interne onderzoeken te evalueren en te kijken of de kwaliteit verbeterd kan worden. Ook waren er vragen vanuit de vakbonden en Tweede Kamer over interne onderzoeken bij de politie.

Het kan en moet beter
De uitkomst van de ‘review Interne onderzoeken’ – en een deelonderzoek van de Politieacademie – is dat de kwaliteit van interne onderzoeken in eenheden te veel uiteenloopt en nog niet is wat het korps voor ogen heeft. “Het kan en moet beter”, erkent korpschef Henk van Essen.
De onderzoekers bevelen aan om de onderzoekskwaliteit te verbeteren met de menselijke maat als uitgangspunt. Er dienen vaste protocollen te komen met heldere eisen voor doorlooptijden, processtappen, registratie en rapportage, gebruik van informatie en vaste reviewmomenten. Ook wordt een centraal team voor complexe zaken aanbevolen, evenals het intensiveren van de rol van de huidige beleidsafdeling VIK.

Heldere kaders
De onderzoekers bevelen ook aan om scherp onderscheid te maken tussen strafrechtelijk en disciplinair onderzoek en disciplinair en strafrechtelijk onderzoek niet door dezelfde medewerker te laten uitvoeren. Er zijn heldere kaders nodig over de samenloop van onderzoeken en informatiedeling van politie en OM. In de opleiding van VIK-medewerkers zou meer aandacht voor preventie en de invloed van cultuur moeten komen. Verder wordt aanbevolen om de vaardigheid van leidinggevenden te verbeteren om politiefunctionarissen aan te spreken op gedrag en een systeem van triage te introduceren om te bepalen of signalen over gedrag voldoende aanleiding zijn voor een intern onderzoek of op andere manier aan te pakken zijn. Tot slot willen de onderzoekers meer inzet op preventie, onder meer door te leren van onderzoeken en het inzetten van preventie-tools.

Leren van fouten
“We nemen de aanbevelingen uit de review stuk voor stuk over”, zegt Van Essen. “Zo zullen we gaan werken met vaste protocollen voor bijvoorbeeld doorlooptijden, processtappen en registratie. Daarnaast heeft een centraal team voor complexe zaken de afgelopen jaren zijn meerwaarde bewezen, een dergelijk team zal op centraal niveau worden ingericht. Ook moet leren van fouten onderdeel kunnen zijn van een disciplinaire maatregel. Zo heeft bijvoorbeeld een verbeter- of leertraject soms meer effect dan een berisping of het inhouden van verlofuren.”

Interne veiligheid
Met het opvolgen van deze aanbevelingen wil de korpsleiding politiemedewerkers verzekeren van een meer eenduidige en zorgvuldige behandeling én van kwalitatief hoogwaardig onderzoek naar mogelijk normoverschrijdend gedrag. “Als het korps van medewerkers integer gedrag verwacht, mogen medewerkers op hun beurt een integere behandeling van het korps verwachten. Mensen moeten weten waar ze aan toe zijn en de procedures moeten helder omschreven zijn”, stelt Van Essen. “Juist bij een organisatie die verantwoordelijk is voor de veiligheid op straat moet de interne veiligheid op orde zijn. Ook als iemand mogelijk een norm heeft overschreden.”
De korpschef benadrukt ook dat de VIK-medewerkers de afgelopen jaren hard hebben gewerkt om goed werk af te leveren. “Met resultaat. Er is veel gescreend, achterstanden zijn weggewerkt. Er zijn honderden onderzoeken verricht naar mogelijk plichtsverzuim, waarvan sommige zeer complex. De politie is een integere organisatie en de VIK-afdelingen dragen daar in hoge mate aan bij.”

Niemand ten onrechte bestraft
Dat rond interne onderzoeken het nodige valt te verbeteren, wil volgens Van Essen niet zeggen dat mensen onterecht zijn bestraft. “Ik wil benadrukken dat het proces rond interne onderzoeken volop met waarborgen is omgeven: medewerkers kunnen zich in alle fasen van het onderzoek laten bijstaan door een (professioneel) belangenbehartiger. Zodra een intern onderzoek is afgerond, volgt het advies van een jurist over het al dan niet opleggen van een maatregel. Dit advies wordt getoetst. Daarna brengt het bevoegd gezag een voornemen uit waartegen de betrokken politiemedewerker een zienswijze kan indienen. Pas dan volgt een (definitief) besluit. Is de medewerker het met dit besluit niet eens dan kan de zaak worden voorgelegd aan de (onafhankelijke) bezwaaradviescommissie (BAC), vervolgens aan de bestuursrechter en uiteindelijk (in hoger beroep) aan de Centrale Raad van Beroep.”

Gedeeld

Geef een reactie